De klokken van de Notre Dame

Clopin:
Vroeg in de morgen, Parijs wordt gewekt
Door een klok van de Notre Dame.
De visser ontwaakt en de bakker vertrekt
Door een klok van de Notre Dame.
Er zijn klokken zo luid als de donder.
Er zijn klokken zo zacht als een vlam.
Elk deel van de dag wordt bepaald door een slag
Van een klok, een klok van de Notre Dame.

Luister eens. En? Klinkt het niet mooi?
Zoveel verschillende klanken en zoveel sfeer.
En al lijkt het zo, die klokken zingen niet uit zichzelf.

Handpop:
O nee?

Clopin:
Nee, slimmerik. Want daar, hoog, hoog in die donkere klokkentoren woont de geheimzinnige klokkenluider. Wie is dat schepsel?

Handpop:
Wie?

Clopin:
Wat is hij?

Handpop:
Wat?

Clopin:
Hoe is hij daar gekomen?

Handpop:
Hoe?

Clopin:
Stil!

Clopin vertelt je het trieste verhaal.
Het verhaal van een man en een monster.
Diep in de nacht op een donkere kade
Nabij de Notre Dame.

Zigeuner:
Kan het kind stil? Ze kunnen ons horen.

Zigeunerin:
Stil maar, kleintje.

Clopin:
Bange zigeuners werden verraden
Daarbij de Notre Dame.

Man:
Vier florijn voor de boottocht naar Parijs.

Clopin:
Het was een val voor dit viertal zigeuners.
Iemand wilde dat niemand ontkwam.
Het was iemand met klauwen zo koud en zo grauw als een klok.

Zigeuner:
Het is rechter Frollo.

Clopin:
Een klok van de Notre Dame.
Rechter Frollo wou de stad verlossen van het kwaad.
Hij verdreef de zonde, maar zag niet zijn eigen haat.

Frollo:
Breng dit gespuis maar naar het Paleis van Justitie.

Soldaat:
Hee, jij! Wat heb je daar?

Frollo:
Gestolen goed, natuurlijk. Neem het haar af.

Clopin:
Maar dan …

Zigeunerin:
Laat ons erin! Bescherm ons!

Frollo:
Een baby? Een monster!

Clopin:
„Stop!” riep de aartsbisschop.

Frollo:
Dit is een duivelse demon.
Ik stuur het terug naar de hel waar het behoort.

Aartsbisschop:
Jij doodt onschuldigen, haat overwint
Op de trap van de Notre Dame.

Frollo:
Ik sta in mijn recht. Wie vlucht, wordt vervolgd.

Aartsbisschop:
Kleeft aan jouw hand straks ook bloed van een kind
Op de trap van de Notre Dame?

Frollo:
Mij treft geen blaam.

Aartsbisschop:
Jij hebt blijkbaar geen enkel geweten,
Dat je haar zo het leven benam.
Kijk in godsnaam omhoog, niets ontsnapt aan het oog van de kerk,
Het alziend oog van de Notre Dame.

Clopin:
Wat was dit voor vreemd gevoel dat Frollo overviel?
Het was angst, angst voor zijn onsterfelijke ziel.

Frollo:
Wat moet ik doen?

Aartsbisschop:
Zorg voor dit kind. Beschouw het als het jouwe.

Frollo:
Wat? Ik opscheept met dit schepsel?
Alhoewel … Als hij in de kerk kan wonen.

Aartsbisschop:
In de kerk? Waar?

Frollo:
Waar dan ook.
Houd hem hier verborgen waar geen mens hem ooit zal zien.
De klokkentoren wellicht. En wie weet …
Misschien komt hij me ooit nog goed van pas.
Als u zegt dat ik daarmee mijn zielenrust verdien.
Wie weet misschien.

Clopin:
En Frollo gaf het kind een wrede naam.
Hij vond het kind maar half af; Quasimodo.
Dus los nu het raadsel maar op als je kan,
Zingt een klok van de Notre Dame.
Wie is het monster en wie is de man?

Allen:
Hoor de klokken, klokken, klokken,
Klokken van de Notre Dame.